(Dit is afgerond.)

Leerdicht over het lijf, dat het lichaam niet is.

Wie een stap probeert te zetten,
probeert geen stap te zetten,
probeert zijn lijf te vergeten.
Wie adem probeert te halen,
probeert geen adem te halen,
probeert zijn lijf te vergeten.
Wie een vraag stelt, vergeet
zijn lijf.

Denk nu eens niet aan dat voorwerp —
je bent geen voorwerp. Je hebt geen lijf,
alsof je zonder bestond, het later pas
is toegevoegd. Je bent geen lijf,
alsof iemand een homp klei heeft aangezet.

Er bestaat een verbijsterend verschil
in de wereld rondom:
alleen wat je kunt horen kan daardoor
onzichtbaar zijn, omdat je het niet ziet,
alleen wat zich misschien laat zien,
misschien laat voelen,
raakt in staat te zwijgen.
De veelzijdigheid van voorwerpen
komt overeen met het geweldige verschil
dat wij zelf zijn.

Denk eens niet aan het voorwerp:
denk aan het verschil dat je bent,
het verschil dat je vergeten wilt
om te voortbewegen, door te gaan:
denk aan de stap die je bent, die je
niet meer bent, denk aan de stap
die je zachter zet, als je iemand niet
wakker wilt maken.

Het lichaam is een ding, maar het lijf
sterft samen met de aandacht weg —
het lijf is niet wat zich uitwist, maar
laat uitwissen, door iets anders
wat het overkomt. Het lijf wacht af,
is geduldig als een zin. Wat mogelijk maakt,
moet zelf wel onmogelijk zijn. Wat doet blijven,
laat zich voortdurend verlaten.

Voel je je niet geworpen? Schrik je niet op,
in de middag, uit een gedachtegang
die je niet had voorzien, en meteen vergeet?
Wat is een droom dan dat
waarop je hoogstens terugkijkt?
Voel je je niet teruggetrokken,
wanneer de pijnsteek je abrupt
en zonder tussenkomst onderbreekt?

Wie een stap probeert te zetten, probeert
geen stap te zetten,
probeert zijn lijf te vergeten,
probeert zijn lijf niet te vergeten —
wie een stap zet
heeft geen lijf
dat zich vergeten is.

Wie adem probeert te halen
vergeet niks, laat zich
zijn lijf ontvallen. Wie een vraag stelt?

Wie honger ziet, ziet niet maar
een lichaam waaraan iets ontbreekt.
Ziet een vraag die zich niet stelt.
Ziet de vraag niet, merkt een vraag
die zich al heeft opgedrongen op.

Wie omhelst, houdt niet maar
een lichaam vast. Wie omhelst
ziet niets achter, onder, voorbij
de ogen. Bij wie omhelst
heeft een ander zich al aangediend.
Of kun je iets ontvangen
wat zich niet aan je geeft?
Een gezicht is wat verdwijnt
bij wat terug blijkt te kunnen kijken.

Zo zijn dan deze drie,
de honger, omhelzing en de vraag —
en de meeste van hen,
die de meeste niet is,
is vergeten te ontbreken,

zoals hoe ook de nacht vergeet
als je blijkt te zijn ontwaakt.
Wie opstaat, breekt aan.

sonnet (7 mei '20)

opgemerkt: hoe de schok van de eerste dode hier
langzaamaan vervangen is
door een soort afstandelijke opluchting
nu het er maar dertig zijn,

niet dat ik de eerste dode kende,
niet dat die voor mij iets anders was dan een getal,

maar hoe, nu in de grafieken een dalende lijn te trekken is
de slachtoffers makkelijker te begrijpen zijn
als een hoeveelheid —

opgemerkt: hoe de indruk van overzicht me het gevoel ontneemt
het niet te weten, me het gevoel geeft
inschattingen te kunnen begrijpen over bioscopen, restaurants —
tot iemand zich hardop afvraagt of rutte deze keer eens iets gaat zeggen
over het verzorgingstehuis


William Eggleston



Uit: La Grande Bellezza (2013)

sonnet (30 april '20)

mezelf herhalen in deze
steeds zelfde week,
in de handvol kamers waarin ik leef, waarin ik
overleven kan, en

oog krijgen voor wat me niet nodig heeft,
voor de geruststellende onverschilligheid van
vrijwel alles, wennen
aan het rumoer van wie wil bijdragen, wie ertoe wil blijven
doen —

beter leren zwijgen,
beter leren zwijgen,

opgaan in het gemak waarmee ik nog steeds
niet sterf, mijn bord volschep, here-zege-deze-spijze-amen
(en herhaal)

Radna Fabias · proloog

All those capitals were formerly for God.

— William H. Gass, On Being Blue

sonnet (19 april '20)

(wat niet eerst afgezonderd is, kan evenmin
samenzijn: alleen
omdat je huid een einde vormt kan hij zich
laten aanraken, alleen
waar je ophoudt maak je plaats voor iets anders —
wat niet eenzaam is, duldt geen bijzijn;
wat niet, ook in gezelschap, afgezonderd blijft,
gaat in gezelschap op, wist
zich erin uit)

maar wie niet samenkomt, verliest misschien grip, zoals
wie voor niemand een geheim bewaren moet

het geheim geheid vergeet,

aan de achterkant van zijn geheimen achterblijft, als wie ontwaakt
aan de verkeerde kant van een nacht



"No!"     /     Uit: The New Pope (2019)

sonnet (9 april '20)

waar je niemand binnenlaten kan, begint dat binnen
te verweren —
zoals ook een god, wanneer je hem opsluit
in heiligdommen, zich méér dan terugtrekt, zoals hij dan lijkt
te verdwijnen —
zoals, wanneer iedereen blind is,
niemand het is, maar we onszelf simpelweg niet zien
als iets behept met zicht:

iets ontdekken wat niet meer voelt als binnen, of
beginnen te begrijpen dat

wat een woning heet

te maken heeft met die opening, daar, en wat je daarmee
welkom heten kan — (dan beginnen te zoeken naar waar je misschien
andere openingen vinden zal

sonnet (3 april '20)

wat al te zichtbaar wordt, duw ik terug
het donker in,
niet overal, maar misschien
kunnen we één plaats bewaren zonder licht, zodat we

ons herinneren
hoe dat oogt —

de doden draag ik op aan god, ik bedoel
dat ik me boosmaak

over wie lichtzinnig doet, of
z'n handelen te vlug vervangt door hoop, of troost —
ik wil nog niet worden getroost,
ik wil blijven stilstaan,
schaduwen loven, leren
in dit donker iets te zien

Uit: A Ghost Story (2017)