Op 1 november 2018 verscheen Het woedeboek bij Uitgeverij Hollands Diep. Genomineerd voor de Grote Poëzieprijs, de C. Buddingh'-prijs en de Poëziedebuutprijs Aan Zee. Winnaar van de School der Poëzie Jongerenprijs.


Met afstand een van de beste poëzie-debuten van de afgelopen jaren.

— Ellen Deckwitz op De Morgen


Het woedeboek kan je onmogelijk onberoerd laten. Afkomst en hoe die zich in hoofd en lijf vertakt, dat gaat over ieder mens.

— Janita Monna in Trouw


Een prachtige dichtbundel

— Alfred Schaffer in De Groene Amsterdammer


Wat doe je met de woorden van je voorouders als je breekt met hun gebruiken en tradities, en met hun god? Kun je daar wel mee breken, als die woorden in je om blijven gaan? Of is traditie misschien precies waar je – zelfs als je zou willen – niet mee kunt breken? Omdat je dan zou moeten breken wie je bent.

Het woedeboek gaat over geloof, ongeloof, wrok en hoop. Een zelfverzekerde stem legt genadeloos zijn onvermogen bloot.


Wat een krachtig en emanciperend poëziedebuut.

— Dieuwertje Mertens in Het Parool


De echte ster aan het firmament is ... Roelof ten Napel, wiens woedeboek nog lang in mij bleef nawoeden.

— Jeroen Dera in De Standaard (*****)


De grootste verrassing van het jaar; een dichter die even genadeloos durft te zijn tegenover God, zichzelf én zijn lezer.

— Thomas Möhlmann in Awater


“Gaandeweg kreeg ik grip op deze intrigerende tekst waarin woede een creatieve motor is, en vermoedde ik een jeugd in een verstikkend en gelovig milieu. De eerste afdeling is op het monomane af, met al die machines, wolven, psalmen en magnolia's. De razernij is overweldigend, het afscheid radicaal. ... Langzaam zet de dooi in, en wordt de harde, woedende machine 'mens', een mens die bevrijd is. De tweede, korte afdeling 'Jongen' is ontwapenend en intiem.”

— Alfred Schaffer in De Groene Amsterdammer


Met uiterste precisie, én met speels en lyrisch taalgebruik, legt Ten Napel een diepe en zelfdestructieve eenzaamheid bloot.

— Jury Grote Poëzieprijs


“Je zou Ten Napel kunnen scharen in het rijtje atueurs – van Wolkers tot Rijneveld – dat zich ontworstelde aan een christelijk milieu. Maar zijn stem, met de taal van de Bijbel als onderstroom, is tegelijk uitzonderiljk nieuw. Woorden, beelden, Bijbelse geschiedenissen, Ten Napel kneedt ze zo dat het zíjn taal, zíjn verhaal wordt.”

— Janita Monna in Trouw


Een fenomenaal debuut. Een diepe buiging voor de dichter die dit alles volbracht heeft.

— Peter J. R. Vermaat op Meander


Een doordachte narratieve compositie

— Jury C. Buddingh'-prijs


[I]emand die desondanks van plan was een serieuze poging te doen over te brengen, wat hem bezighield. En dat is gelukt. ... Het komt allemaal precies. Dit is woede, en melancholie, en verliefdheid, en flarden bijbeltaal, waar goed over is nagedacht.

— Menno van der Beek op Liter


“Ten Napels raffinement blijkt ook uit zijn spel met het persoonlijk voornaamwoord. In Het woedeboek wordt keer op keer een ‘je’ aangesproken, maar daarachter gaat telkens een andere figuur schuil. Soms lijkt het om God te gaan (‘je lijkt een wond waaruit / de wereld bloedt, alsof er achter elk uitzicht nog / een hart pompt, iemand je als inkeping aanbracht’), maar op andere momenten adresseert de dichter eerder algemene mensen zoals hijzelf: ‘ze zeggen je dat een vriend zal sterven. ze weten / dat je helpen kan’. In de ultieme compositie die Het woedeboek is, vallen door dat stuivertje-wisselen de grenzen tussen al die ‘je’-figuren op een gegeven moment weg. De vraag naar de verhouding tussen God en mens wordt er daarmee een van élke lezer.”

— Jeroen Dera in De Standaard (*****)


Roelof ten Napel excelleert in een poëtisch proces van aantrekken en afstoten, van zekerheid en twijfel, die niet zonder elkaar kunnen

— André Keikes op Tzum


Een onheilspellend poëziedebuut heeft zijn opwachting gemaakt

— Ruben Hofma in het Friesch Dagblad


“Je weet, en dat is het knappe, op een gegeven moment niet meer of hij het tegen zijn geliefde, tegen zijn starre vader of tegen God zelf heeft. Door de nauwkeurige samenstelling verschuiven de accenten in deze bundel continu. Gedichten die los een liefdesgedicht zouden zijn, vormen door de rest van de tekst ook een afscheid van het vertrouwde. Kritische bespiegelingen over de kerk worden door het narratief dat de bundel verbindt, ook een verkapt oordeel over de voorouders.

Natuurlijk is het al knap als je één sterk gedicht schrijft, maar de ingenieuze wijze waarop de verzen elkaar in dit werk versterken, zorgt ervoor dat ze hoog boven zichzelf uitstijgen. Het woedeboek bewijst de meerwaarde van compositie.”

— Ellen Deckwitz op De Morgen


Het woedeboek is een intense, beklemmende, maar ook tedere en kwetsbare bundel.

— Joost Baars, winnaar VSB Poëzieprijs 2018


Het 'hooglied' zindert van fysieke hartstocht

— Piet Gerbrandy in Awater


“Vlak voor het slot komt het dan toch uit bij de aangekondigde woede. .... Waarin dus, de niet grondig bijbels geschoolde lezer moet misschien even wat gaan bladeren, het commentaar van God op de moord van Kain op Abel verandert in een interne monoloog. De interne monoloog van iemand, die zichzelf geweld aan gedaan heeft, overgaand in een beschrijving van het eigen lichaam als een plek voor het vuur uit de brandende braambos van Mozes. En de vorm van het gedicht, tot nu toe in de cyclus namen de verzen zoveel regels en wit als ze nodig hadden, is zo vlak voor het slot een haast klassiek sonnet geworden: met de klassieke strofenindeling, en zelfs in de oude zin van het sonare, omdat ook het rijm hier sterker is dan elders. Alsof de boosheid, de psalmen, de handleidingen van de machine en het draven van de wolf dan op de valreep stollen in de oude Europese dichtvorm.”

— Menno van der Beek op Liter


Ten Napel schreef een lijvig, fris, ritmisch, thematisch en poëtisch diep debuut. Er wachten de lezer nog vele verrassingen als hij in de zoektocht naar verlangen meestapt.

— Bart Vonck in de Poëziekrant


Kun je afscheid nemen van wat er nooit was? In de aangrijpende bundel van Roelof ten Napel wordt daar een stevige en briljante poging toe gedaan.

— Len Borgdorff op Liter


Het woedeboek is opmerkelijk origineel. Het kent een uitstekende compositie en de 55 gedichten, doorvoeld geschreven en met een zorgvuldig afgewogen taalomgang, zijn sterk verbonden onder meer doordat dezelfde titels steeds terugkeren als waren het perspectieven, identiteiten of muzen: 'wolf,' 'magnolia,' 'machine.' Thema's als zelfbewustzijn, homoseksualiteit, woede, liefde en vooral geloofsontbinding dienen zich aan, en overkoepelend de thema's vernietiging en bevrijding. (...) Er spreekt een krachtige vastbeslotenheid uit de gedichten. (...) Onheilspellend is dit boek, en in zijn onheilspellendheid een vlammende verschijning.”

— Ruben Hofma in het Friesch Dagblad


Het woedeboek is een door en door religieus boek, dat subtiel laat zien hoezeer praten met God en erotiek in elkaars verlengde liggen. En omdat het bij een innerlijkg esprek vaak niet duidelijk is wie zich tot wie richt, heeft de dichter de persoonlijk voornaamwoorden 'ik', 'jij', en 'hij' op zo'n manier ingezet dat het soms ongewis blijft naar wie ze verwijzen; dat wisselt zelfs binnen één en hetzelfde gedicht. Het roept de vraag op in hoeverre niet alleen God, maar ook de geliefde een projectie of een extensie van de spreker is.”

— Piet Gerbrandy in Awater


Regels die een grote poëtische intelligentie verraden

— Jeroen Dera in De Standaard (*****)


“In [deze] gedichten toont de verteller zich kwetsbaar en wanhopig. Toch wordt hij nergens pathetisch. Hij geeft voldoende tegengas in gedichten vol (Bijbelse) verwijzingen en sterke, oude metaforen, zoals in het gedicht dat de titel Woede draagt waarin de verteller zich tot zijn schepper verhoudt: 'mijn lichaam getuigt van een oeroud / woedend vuur, dat aan mij likt, / en van mij brandt, hoewel er niks verteert — // en daarin ergens leeft een hitte / die mij begeert, die ik begeer, waarin ik / opga, met ontzagwekkende dorst' Wat een krachtig en emanciperend poëziedebuut.”

— Dieuwertje Mertens in Het Parool


Het woedeboek is uiterst secuur en vol van patronen – een doordacht bouwwerk – maar weet dan toch lekker voorbij het cerebrale te glippen. Daar zit de zinnelijkheid van woede, verval, troost, schoonheid.

— Ester Naomi Perquin, Dichter des Vaderlands 2017-2019


“Platteland, strenggelovig milieu, hypocrisie – het thema lijkt zelfs nog in de eenentwintigste eeuw wel verplicht in de Nederlandse literatuur – hebben hier een betekenisvolle rol gekregen. Ten Napel speelt met gevoel voor klank en ritme en toepasselijke christelijke symbolen een uitgekiend spel van suggestie en mystificatie.”

— André Keikes op Tzum