Nog iets anders

Een huis is geen levenloos ding,
het heet verlaten of er wordt gewoond.
Wat ermee te vergelijken valt
valt te begrijpen. Te begrijpen:
te zien van nabij, misschien.
Een hand, een raam, wat daarop lijkt
kan niet vreemder zijn dan
handen en ramen elke dag. Andersom
moet wat ik in je woning tegenkom
iets zeggen over wie ik daarmee
hoogstens vergelijken kan.

Noch het een, noch het ander
zal ik echt hebben begrepen.
Ik bezing niks, geen vergelijking
vindt vaste grond — als een brug
tussen twee banken mist!
Toch, iets laat zich hier raken
zolang ik me in beide vergis.

Vragen over hoeken

Als een hoek gewoon de mogelijkheid is
je terug te trekken,
dan bevinden de hoeken van de mens zich misschien
buiten hem. In voedsel, bijvoorbeeld,
waarin je honger zich verbergt.
In de afleiding van voorspelbare tv,
waarin je uitgeputte aandacht zich verstoppen wil.
Hoe vermoeiend is het soms niet er te zijn.

En de hoeken van een gedicht?
Is een gedicht niet
weerloos, van alle kanten
aan te vallen? Of is een gedicht beschut
als wat twee lichamen samen kunnen verbergen
in een open veld,
tussen het hoge gras.

Wie zich samen herhaalt

Je raakt uitgesmeerd, is dat het niet.
Als je iemand blijft ontmoeten raken de randen
vager tussen wie je bent
en wie je gister was. Je blijft jezelf méér,
omdat ook iemand anders zich
jou herinnert: iemand kan je geven
wat je van jezelf vergeten bent, wat niet was opgedoemd
als niemand het meer wist.
Een kort, onaf begrip

van wat een vriend is:
iemand die zich jou herinnert, maar benieuwd blijft
naar wat verandert, zich jou
op meer manieren herinneren wil.

sonnet voor thomas

de laatste tijd besef ik steeds
hoe klein het licht is dat ik ben —
hoe weinig ik schijn, en hoe weinig ik
geschenen hebben zal, in vergelijking
met het donker rondom —

ik zie mijzelf de laatste tijd steeds terug,
een eenmalig knipperend licht
langs een donker pad —

om dan te bedenken
dat ik jou hier vond,
in mijn kleine opklaring,

te bedenken dat alles
één keer schijnt, en wij, één keer,
tegelijkertijd

sonnet xxx

ik denk dat ik bedoel dat ik bang ben,

bang dat ik iemand worden kan
die jij niet hebben kan, niet
uit kan staan —

wat betekent dat?
ik weet het niet,
weet het niet, misschien
is dat precies de angst: dat ik me
zelfs niet voor kan stellen wat ons overkomen zou
op zo’n manier dat wij ineens iets worden
wat nergens meer op lijkt — niet op jou of mij, niet op

ons, samen, wat we dan niet
zijn, niet meer, niet meer dan dat we dat dan zijn
geweest

machine

en als ik zie dat je rust hebt
zonder mij
dan zal ik me ontmantelen —
het mechanisme van mijn afscheid
kent je naam, kent je houdingen

en weet hoe somber je kunt zijn,
hoe dat je overkomt,
een snee zonder oorsprong op je rug —

mijn handen vouwen zich
open, mijn armen
ook, en ik noem je terwijl ik opga,
mijn ademen zwaar wordt, meer damp
dan lucht — dan zie ik nog hoe je
lachend aan jezelf ontsnapt, met hoop
op je lippen, je lichaam
vallend licht

psalm (hij zegt: neem de tweede jonge stier)

er is geen treurwilg meer,
en langs het tegelpad zijn ook de bielzen weg.
dit jaar zag ik voor het eerst
de magnolia niet bloeien, niet vallen,
verspreid door de tuin.

god legt de dauw op mijn huid
maar niet op het gras, of op het gras
maar niet op mijn huid.

dat is hoe hij spreekt, hij
maakt er gebruik van. valt er een leegte tussen mij
en de wereld, vult hij die op —
een man zonder tanden, die me aankijkt,
zijn open handen voor zich, op en neer
alsof hij iets weegt,
zijn mond vol
van een herfstrode, bloedende tong

wolf

en je zucht was een woord
nog dichter bij je lichaam, lich-

heim — je

lijkhuis, waaruit een adem ontsnapte
als een uitspraak, waar je hart nog
verder pompte, koolstofdioxide zich
balde uit je spieren tot een woord nee
meer nog —

je blik viel zijlings
in het landschap, vingers
hingen, tochttastend,
je vallende schouders
trokken je

amper maar dieper
in de grond

hij legt zijn hoofd in je schoot
en je wilt niets anders

dan de dag bijna zonder beweging

voorbij laten gaan —
je hand door zijn haar, het haast onmerkbare
op en neer gaan van zijn borst, en hoe plots
een lach op zijn gezicht ontstaat, je weet niet
waarvandaan